Tagarchief: luxe

Bestek '09

Bestek '09

Hoe lastig het is de wereld zo in te richten dat we van alle problemen zijn verlost, wil ik illustreren met een mijmering over bestek.

Stelling: bestek is een overbodig product.
In dit geval wordt met bestek bedoeld het trio waarmee we de dagelijkse hap naar binnen werken. Mes, vork en lepel. In deze mijmering laat ik attributen als het keukenmes, de roerspaan en de vleesvork buiten beschouwing, als zijnde noodzakelijk bij de voorbereiding van de maaltijd.

Is de maaltijd eenmaal op je bord gekieperd, dan kun je het verder wel met je handen af. Bestek is niet echt noodzakelijk. En al helemaal niet in de oneindige variaties waarin het verkrijgbaar is. Laat staan dat je bestek nodig hebt, dat tevens als balpen te gebruiken is. De gadget is nog niet op de markt, maar Italiaanse ontwerpers hebben het Bic-bestek al in de la liggen.

Of neem bestek dat gebaseerd is op de Nederlandse eetcultuur: prakbestek. Een
kunstzinnig ideetje, maar volstrekt overbodig. De Nederlandse prakcultuur bestaat amper nog. En om dat bestek ook nog eens van hout te maken, mag gerust een bijdrage aan de ontbossing door eetcultuur genoemd worden.

De productie van zo iets simpels als bestek, is een voorbeeld van een uit de hand gelopen maakbaarheidsindustrie. Het is geen supernoodzakelijk gebruiksvoorwerp. Het wordt in grote hoeveelheden gemaakt. En er verschijnen steeds nieuwere vormen, alleen om het aanbod aantrekkelijk te houden.
Al dat bestek maakt het leven wel leuker, maar doet een aanslag op het milieu en economische verhoudingen. De produktie en gebruik kost grondstoffen, lucht, water en energie. En heel wat bestek wordt gefabriceerd in lage lonen landen.

Dus wat dan? Je kan alleen recyclebaar bestek gebruiken. Er zijn al vorken en lepels die je op kan eten. Gemaakt van aardappels en sojaolie. Aardig idee, want zo hou je de werkgelegenheid in stand en het is milieuvriendelijker.

Want het bestek helemaal afschaffen lijkt geen optie. Sluit je één bestekfabriek, dan dondert er een hele keten aan werkgelegenheid er omheen, ook in elkaar.
Dan zouden we nog kunnen kiezen om alleen zeer duurzaam bestek te maken. In een enkele vorm, in plaats van in al die varianten. Ook dan stort een stukje industrie in elkaar. Bestek dat onbuigzaam en onbreekbaar jaren meegaat, heeft tot gevolg dat de fabriek op een laag pitje moet draaien. Misschien zelfs delen van het jaar stil zal liggen.
Het zal het milieu flink sparen, maar de economie niet.

Ik geef het maar even aan, om te laten zien dat een simpele oplossing, complexe gevolgen kan hebben. Natuurlijk zijn er voor die gevolgen wel oplossingen te bedenken, maar willen we die wel? Als de bestekindustrie wordt afgeschaft, komt er arbeidskracht vrij voor sectoren waar we die tekort komen. Dat schaadt echter de roemruchte keuzevrijheid. Iemand die dolgraag lepeltjes wil maken, is misschien minder gepassioneerd om verpleger in een of ander tehuis te worden.

De hoop is gevestigd op hele bataljons innovators, die op zoek zijn naar veranderingen die wel goed zijn voor milieu, gezondheid, beheersbaarheid van kosten en die tegelijkertijd een welvarend leven, vol gadgets, luxe en onnodigheid in stand kan houden.
Gaan we het met die insteek redden of moet het bestek eens op de schop?

Vakantie op droog brood?

Vakantie op droog brood

Wat is een minimumbestaan? Als je alleen geld hebt voor huisvesting, eten en kleding? Of moet er ook nog wat geld zijn voor een sportclub, een goed boek en een paar dagen vakantie?

Die vraag hebben het SCP en het Nibud voorgelegd aan een aantal discussiegroepen. Die werden het niet unaniem eens met elkaar, maar een alleenstaande zou toch wel met 800 tot ruim 900 euro rond moeten kunnen komen.

In het rapport “
Genoeg om van te leven'”(pdf!) worden aantal deelnemers geciteerd, die zich uitlaten over wat armoede volgens hen is.

“Ik vind armoede ook dat er gewoon geen brood op de plank is, dat mensen niet kunnen eten”, zegt de een. “Ik vind het armoede als je je hond moet wegdoen omdat je hem niet meer kan betalen”, zegt een ander.

De nuances lopen zeer uiteen. Een deel vindt alles onder luxe vallen dat meer dan wonen, eten en kleden is. Anderen vinden dat je niet zonder een aantal andere zaken kan, zeker als er ook kunderen in het huishouden zijn. Dan is deelname aan een club, of minimaal 1 pc in huis toch ook wel noodzakelijk.

Een deelnemer biecht op dat hij 30 procent moest inleveren, toen hij in de WAO terechtkwam. “Nou, dan moet je dus gaan schrappen”, zegt hij. Is dat armoede? De deelnemer kijkt er zeer genuanceerd tegenaan: “Dan kan je zeggen: ‘Dat is arm.’ Nee, je kan ook zeggen: ‘Wat ik had, was luxe.”

Een volwassen alleenstaande, die in de bijstand vervalt, krijgt minimaal rond de 600 euro, maximaal ruim 900 euro. Gehuwden en samenwonenden moeten rond komen van 1285 euro en een alleenstaande ouder rond de 1165 euro. Die bedragen gelden als je dan wel de maximale woontoeslag krijgt.

Van welke luxe zou jij afscheid nemen, als jouw inkomen tot de bijstandsnorm daalt?
Ga je dan het hele jaar droog brood eten om op vakantie te kunnen gaan? Of koop je geen nieuwe kleren om je kapotte pc te vervangen?
Roept u maar, wat zijn de eerste zaken die je schrapt?

Geen zorg voor welzijn

EenzaamheidVeertig jaar AWBZ blijkt ook veertig jaar schuiven met geldpotjes. De SER adviseert nu rustig door te gaan met dat geschuif. Haal kosten die met welzijn te maken hebben uit de AWBZ.
Een doortastend advies? Welnee, gewoon de zoveelste schuiver om de stijgende kosten van de AWBZ in te perken.
Veertig jaar AWBZ even
op een rijtje:

In 1968 wordt de AWBZ ingevoerd. Bedoeld om langdurige zorg en kosten die niet onder het ziekenfonds vallen te verzekeren.
In 1980 wordt het kruiswerk (o.a. verplegende verzorging aan huis, zuigelingenconsult) overgeheveld naar de AWBZ.
In 1989 worden ook de psychische zorg, hulpmiddelen, sociaalpedagogische zorg, gezinszorg en de regionale instellingen voor beschermd wonen bij de AWBZ onder gebracht.
In 1992 wordt farmaceutische hulp, audiologische hulp, erfelijkheidsonderzoek en revalidatiezorg aan de AWBZ toegevoegd.

Het wordt een beetje volle boel bij de AWBZ en de kosten zijn aardig opgelopen. Kabinet Kok II maakt daar een einde aan. In 1997 wordt alles, behalve de psychiatrische zorg, weer terug gekieperd naar de ziekenfondswet. Kort na die schoonmaakactie worden bejaardenzorg, gezinszorg en kruiswerk weer teruggetakeld naar de AWBZ. Nu onder de noemer thuiszorg.

Vanaf 1998 wordt toegewerkt naar de nieuwe AWBZ. Vanaf 2003 kan zorg ingekocht worden op onderdelen. Van verpleging tot activerende begeleiding. Van thuiszorg tot ondersteunende begeleiding. Het PGB (persoonsgebonden budget) wordt ingevoerd. Zorg op maat moet zowel de cliënt tevreden stellen, als de kosten overzichtelijker en beheersbaarder maken.

In 2007 is het mis. De AWBZ blijkt veel te duur. Er moet weer wat uit. Als eerste wordt de thuiszorg overgeheveld naar de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning).
Nu, maart 2008, wil de SER dat bepaalde vormen van ondersteunende en activerende begeleiding ook naar de WMO te verhuizen. De AWBZ zou toch weer meer echte zorg moeten bekostigen: verpleeghulp, revalidatie, etc. Als mensen die zorg met meer welzijn opgetuigd wensen te zien, dan betalen ze dat zelf maar. Kunnen ze dat niet, dan mogen ze een beroep op de WMO doen.

Een voorbeeldje uit het NRC van dat dure welzijn: ondersteunende begeleiding van autistische kinderen bij paardrijles of huiswerbegeleiding. Da's helder. De hulp hebben ze wel nodig, maar is geen directe zorg. Bovendien hebben de ouders die paardrijles kunnen betalen, meestal een aardig inkomen, dus die begeleiding kunnen ze vast ook wel zelf betalen.
Ander voorbeeldje: mensen in bejaardentehuizen lopen er een stuk gezonder bij als ze ook wat persoonlijke aandacht krijgen en aan wat activtiteiten kunnen meedoen. Minder eenzaam, meer gelukkig, meer gezond.
Maar ja, activerende ondersteuning, hoort natuurlijk in het buurthuis en niet in de bejaardenzorg. Dus, goed gezien SER, laat de WMO dat maar bekostigen.

Dit advies zal bijdragen aan de stijgende zorgkosten. Zorgmanagers en personeel die ziek worden van de zoveelste verandering, die opnieuw tot reorganisaties in hun werk zal leiden en de nodige burocratische rompslomp met zich mee zal brengen.
Patiënten en cliënten die ziek worden van weer van het kastje naar de muur te worden gestuurd en opnieuw met hogere eigen bijdragen geconfronteerd worden.
En ook nu wordt niet erkend dat zorg en welzijn geld kost. Veel geld. Dus als straks de kosten voor de WMO de pan uit rijzen, moet er weer een dure adviesraad aan het werk worden gezet voor de volgende verschuiving.

De overheid maakt zich terecht zorgen om de peperdure kosten. Veertig jaar schuiven met subsidiepotjes heeft het niet goedkoper gemaakt. Dan zijn er twee opties:
1. De welzijnsstaat verklaart de gezondheidszorg failliet. Iedereen zoekt het verder zelf maar uit. Ziek zijn doe je zelf, dus je betaalt dat ook maar zelf. Een tendens die meer en meer de kop op steekt de laatste tijd.
2. De welzijnsstaat erkent dat zorg duur is en zoekt naar alternatieve oplossingen. Een wet die beperkingen stelt aan de prijzen van medicijnen en hulpmiddelen. Niet leuk voor bijvoorbeeld de farmaceutische industrie, maar die gaat niet dood van wat minder winst.
Veder gaat er nog zoveel geld om in de samenleving dat aan echte overbodige luxe wordt besteed, dat de overheid best een graai in die kas kan doen.

Dat laatste komt er natuurlijk niet van, want dat zou een aantasting van fundamentele vrijheden betekenen. Van dat idee wordt een select maar invloedrijk gezelschap zo ziek van dat de overheid bang is om tot meer effectievere maatregelen over te gaan.